Categorie 1

Het kindersterftecijfer in Europa daalt, maar er zijn nog te veel verschillen tussen landen onderling

De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) heeft zojuist een rapport gepubliceerd over de kindersterftecijfers in Europa. Het document geeft aan dat in 2022 75.647 kinderen stierven voor hun vijfde verjaardag, hoofdzakelijk als gevolg van complicaties die verband houden met vroeggeboorte, perinatale asfyxie (zuurstoftekort rond de geboorte) en verscheidene infecties. Hoewel de kindersterfte licht gedaald is ten opzichte van voorgaande jaren, zijn er zorgwekkende kloven tussen de verschillende Europese landen. In België ligt het kindersterftecijfer lager dan het Europese gemiddelde, maar er blijft wel bezorgdheid bestaan over de geestelijke gezondheid bij jongeren.

Hoewel de medische vooruitgang en het preventiebeleid zorgden voor een aanzienlijke daling van het aantal overlijdens bij zuigelingen, blijven er grote verschillen bestaan tussen Europese landen onderling. In sommige lidstaten zijn de kindersterftecijfers alarmerend hoog, wat vragen doet rijzen over de toegang tot zorg, de vroegtijdigheid van diagnoses en de leefomstandigheden van de meest kwetsbare gezinnen.

Niet alle landen zitten in hetzelfde schuitje

Volgens de gegevens van Eurostat beloopt het gemiddelde kindersterftecijfer in de Europese Unie ongeveer 3,3 overlijdens op 1000 levendgeborenen (wat niet erg veel is in vergelijking met andere continenten). Er zijn echter grote verschillen tussen de Scandinavische landen, waar de cijfers bijzonder laag liggen, en bepaalde Oost-Europese landen, waar de situatie zorgwekkend blijft. Roemenië en Bulgarije hebben namelijk kindersterftecijfers van meer dan 5 op 1000. Dat is bijna het dubbele van het Europese gemiddelde. In België daarentegen ligt het kindersterftecijfer met 2,9 overlijdens op 1000 geboorten lager dan dit gemiddelde. Zelfs binnen ons land zijn er nog verschillen tussen de gewesten: het Vlaamse en Waalse Gewest vertonen beide een cijfer van 2,9%, terwijl dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog net iets lager ligt met 2,7%.

Belangrijkste doodsoorzaken bij pasgeborenen

Een van de belangrijkste oorzaken voor deze verschillen is de ongelijke toegang tot prenatale en neonatale zorg. In sommige achtergestelde regio’s worden zwangerschappen onvoldoende opgevolgd, waardoor er een groter risico ontstaat dat complicaties niet tijdig worden opgemerkt. Vroeggeboorte, neonatale infecties en aangeboren afwijkingen blijven de belangrijkste doodsoorzaken bij zuigelingen in Europa. Sociaaleconomische omstandigheden spelen daarbij een doorslaggevende rol. Armoede, ondervoeding bij de moeder en blootstelling aan een ongunstige omgeving: het zijn allemaal factoren die het overlijdensrisico voor pasgeborenen verhogen. In landen waar het welzijnsbeleid minder ontwikkeld is, zijn de begeleiding van jonge ouders en de postnatale zorg vaak ontoereikend.

Wat kunnen we doen om ongelijkheden op het vlak van sterfte terug te dringen?

Er zijn initiatieven om te trachten deze kloven tussen de sterftecijfers te dichten. Zo financiert de Europese Unie een aantal programma’s om de toegang tot zorg voor moeder en kind te verbeteren, met de nadruk op preventie en vroegtijdige opsporing. Sommige landen, zoals Finland – dat een van de laagste kindersterftecijfers ter wereld heeft – zetten sterk in op nauwgezette medische opvolging, steun voor gezinnen en maatregelen zoals de zogeheten “baby box”, een geboortekit die jonge ouders mee naar huis krijgen en die essentiële spullen voor de baby bevat. Hoewel Europa best tevreden mag zijn over de geboekte vooruitgang op het vlak van gezondheid bij jonge kinderen, moeten het inspanningen blijven leveren om ervoor te zorgen dat elke pasgeborene dezelfde overlevingskansen krijgt, los van het land van geboorte of de sociale achtergrond.

Psychisch leed bij jongeren: dé grote uitdaging

België boekte weliswaar grote vooruitgang om de kindersterfte terug te dringen, maar staat nu voor de uitdaging om de geestelijke gezondheid van jongeren te beschermen en bevorderen. Overleg tussen de verschillende overheden, gezondheidswerkers, opvoeders en gezinnen is van essentieel belang om acties te ondernemen zodat we Belgische kinderen en adolescenten een gezonde toekomst te kunnen bieden, naast voldoende mogelijkheden om zich te ontplooien. Psychische stoornissen nemen immers voortdurend toe bij Belgische jongeren. Volgens UNICEF wordt in België bij meer dan 16,3% van de adolescenten tussen 10 en 19 jaar oud een psychische stoornis vastgesteld. Bovendien blijkt uit een recent onderzoek dat een op de vijf adolescenten tussen de 15 en 25 jaar een psychische stoornis heeft en dat 10% van hen al een zelfmoordpoging heeft ondernomen of zichzelf heeft verwond. Om de strijd aan te binden met de verslechtering van de geestelijke gezondheid bij jongeren, is het cruciaal om preventie- en voorlichtingsprogramma’s te bevorderen. Tieners bewustmaken van de waarschuwingssignalen voor psychische stoornissen, open communicatie aanmoedigen en zorgen voor een geschikte ondersteuning kan deze zorgwekkende trend helpen ombuigen.

 

Sofia Douieb

 

 

LEES OOK:

Teleconsultatie: een medisch alternatief om jonge patiënten te helpen

De recente intrekking van de terugbetaling voor teleconsultatie – of consultatie op afstand – door het RIZIV blijft niet onbesproken. Die maatregel werd geïntroduceerd tijdens de COVID-19-periode en wordt nog steeds gebruikt door veel huisartsen en specialisten in België, waaronder kinderartsen, gynaecologen, dermatologen en neurologen. In vergelijking met de klassieke methode bieden teleconsulten jonge patiënten en hun familie immers veel voordelen: ze veroorzaken minder stress en ongemakken, vermijden het risico op infectie, bevorderen een meer regelmatige opvolging en stellen bezorgde ouders gerust. Naar aanleiding van de stopzetting van de terugbetaling hebben Medi-Sfeer en De Specialist een enquête gehouden onder artsen.

De gezondheidszorgsector evolueert voortdurend en teleconsultatie, ook wel bekend als telefonische consultatie, is een modern antwoord op de groeiende vraag in het licht van de dagelijkse uitdagingen. Enerzijds verlicht teleconsultatie de druk op de veelgevraagde professionals in de sector, terwijl ze anderzijds de wachttijden bij huisartsen en in ziekenhuizen verkort. Bovendien helpt ze om patiënten te prioriteren en hun familie gerust te stellen. De resultaten van de enquête bewijzen dat teleconsultatie goed is ingeburgerd bij artsen: 61% van hen maakt er gebruik van, zonder hun patiënten iets te factureren.

“In de kindergeneeskunde laat teleconsultatie toe patiënten te prioriteren en onnodige verplaatsingen naar de spoedafdeling te voorkomen”, merkt een kinderarts op. Een andere arts vult aan: “Tijdens seizoensgebonden epidemieën ontvangen we tientallen telefoontjes per dag. Door snel te reageren kunnen we ouders geruststellen, advies geven en medische attesten opstellen zonder onze agenda’s te overbelasten.” Getuigenissen uit de enquête uitgevoerd door Medi-Sfeer en De Specialist. 

De enquête

De enquête verliep via de websites en nieuwsbrieven van Medi-Sfeer en De Specialist, twee publicaties van RMN, de grootste medische persgroep in België. Onder de 2.141 respondenten van de enquête bevonden zich 747 Franstalige en 1.394 Nederlandstalige artsen. 88% van hen vindt dat teleconsultatie weer terugbetaald moet worden door het RIZIV. De meerderheid van de Franstalige respondenten zijn vrouwen (56%) die voornamelijk in Wallonië (75%) werken, tegenover 24% in Brussel en 1% in Vlaanderen. Bij de Nederlandstalige artsen zijn de vrouwen nog sterker vertegenwoordigd (59%) en is de geografische verdeling omgekeerd: 94% van hen werkt in Vlaanderen en 5% in Brussel. Wat betreft de specialismen zijn huisartsen in beide taalgroepen goed vertegenwoordigd (bijna 50%). Ze worden gevolgd door kinderartsen (30,85%), gynaecologen (11,53%), dermatologen (9,15%), anesthesisten (8,14%) en neurologen (4,75%). Tot slot is ook de leeftijdsverdeling in de twee groepen relatief homogeen. De meeste respondenten zijn tussen 31 en 60 jaar oud.

Voor al­le dui­de­lijk­heid

Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke vindt dat “we een duidelijk onderscheid moeten maken. Telefoneren om een attest, voorschrift of testresultaat te krijgen: dat zijn geen teleconsulten. Artsen hebben dat type telefoontjes altijd al verwerkt en ik vermoed dat ze dat ook zullen blijven doen. Teleconsulten daarentegen zijn telefonisch onderzoeken waarbij een patiënt zijn of haar symptomen uitlegt, de arts een anamnese afneemt en eventueel een behandeling, oplossing of aanvullende stappen voorstelt.”

Allerlei voordelen

Teleconsultatie heeft voordelen op allerlei gebieden. In de enquête sommen artsen er een heel aantal op: medische resultaten interpreteren, behandelingen aanpassen, chronische patiënten opvolgen, voorschriften vernieuwen, patiënten doorverwijzen voor een lichamelijk onderzoek of gezondheidsadvies geven (vaccinaties, verschillende kwalen). Ook voor patiënten en hun familie zijn teleconsulten in verschillende opzichten interessant:

  • ze vermijden onnodige verplaatsingen;
  • ze brengen minder stress en ongemak met zich mee;
  • ze vermijden het risico op infectie;
  • ze bevorderen een effectievere en regelmatigere opvolging;
  • ze stellen bezorgde ouders gerust.

Wat brengt de toekomst?

Minister Vandenbroucke pleit voor een vereenvoudigde, duurzame oplossing om onhoudbare tendenzen te voorkomen die afwijken van de traditionele geneeskunde. Hij wacht op nieuwe financieringsvoorstellen van de medische vakbonden, gebaseerd op de budgetten van de artsen. “We moeten een duidelijk systeem opzetten, zonder een labyrint van ingewikkelde regels. We moeten evenwel vermijden dat het de kraan openzet voor onbeperkte facturaties voor elke individuele verstrekking. Dat is uiteraard onaanvaardbaar.”

Samuel Walheer

LEES OOK:

De erkenning van handicaps verbetert, stelt Iriscare vast

Drie jaar na de oprichting van het Centrum voor Evaluatie van de Autonomie en de Handicap (CEAH) in Brussel blikt Iriscare terug op het afgelegde parcours. Dat centrum evalueert de graad van de handicap of verminderde zelfredzaamheid van kinderen aan de hand van specifieke criteria. Daarnaast biedt het die kinderen en hun familie ondersteuning. De belangrijkste bevinding is dat de diagnoses zijn verbeterd, waardoor het aantal erkenningen stijgt. Vergeleken met 2020 werden er 27,65% meer erkenningen toegekend aan kinderen.


Het Centrum voor Evaluatie van de Autonomie en de Handicap opende op 10 februari 2022 zijn deuren bij Iriscare. Daar kunnen patiënten ontvangen worden in speciaal ingerichte dokterspraktijken die toegankelijk zijn voor mensen met een handicap. De resultaten van de evaluaties van kinderen worden door Iriscare aan de Brusselse kinderbijslaginstellingen bezorgd. Op basis daarvan berekent de instelling in kwestie het bedrag van de kinderbijslag, dat ze meedeelt aan de patiënten of hun wettelijke voogd. Iriscare stelt vast dat 8.263 Brusselse kinderen met een ziekte of handicap in juni 2024 een toeslag op de kinderbijslag ontvingen, die gemiddeld 283,96 euro per maand bedroeg.

{Persbericht Iriscare}

Erkenningen nemen sterk toe 

Sinds januari 2022 voert het CEAH de medische evaluaties uit die nodig zijn om de verhoogde kinderbijslag toe te kennen. Uit de cijfers blijkt een duidelijke toename van het aantal kinderen met een erkende aandoening. Het gaat dan vooral om autismespectrumstoornissen en taal- en leerstoornissen. Dat toont aan dat artsen die aandoeningen nu beter kunnen diagnosticeren, waardoor het CEAH op zijn beurt meer erkenningen kan geven. Momenteel hebben 2,74% van de Brusselse kinderen van 0-17 jaar een erkenning voor een aandoening. In Vlaanderen bedraagt dat percentage 3,26%. Hoewel er in Brussel een opmerkelijke vooruitgang is geboekt, herinnert dat verschil ons eraan dat het essentieel is om die positieve evolutie voort te zetten en te blijven investeren in effectieve evaluaties.

Sociale ongelijkheden

Het is een feit: kinderen met een stoornis komen vaker uit gezinnen met een laag inkomen. Uit de analyse blijkt dat aandoeningen vaker voorkomen in de grootste en meest kwetsbare Brusselse gemeenten. Zo woont meer dan de helft van de kinderen met een erkende aandoening in Molenbeek, Brussel-Stad, Schaarbeek of Anderlecht. Bovendien groeit 52,55% van de rechtgevende kinderen op in een gezin met een laag inkomen, tegenover 36,19% van de algemene Brusselse bevolking.

Het niet-gebruik van rechten terugdringen is niet alleen een kwestie van rechtvaardigheid, maar ook een essentiële investering in de toekomst van kwetsbare gezinnen. Elk kind dat de ondersteuning krijgt waar het recht op heeft, heeft betere ontwikkelingskansen. Dat versterkt niet alleen het gezin, maar ook onze hele samenleving. Tania Dekens, leidend ambtenaar van Iriscare.

Uitdagingen voor de toekomst

Hoewel er aanzienlijke vooruitgang is geboekt, benadrukt Iriscare dat het belangrijk is om te blijven investeren in effectievere evaluaties. In juni 2024 bedroeg de verwerkingstijd van een dossier gemiddeld drie maanden. Het is cruciaal om die vlotte termijn aan te houden. De administratieve lasten verminderen en de toegang voor kwetsbare gezinnen verbeteren, blijven absoluut prioritair.

→ Lees het volledige

Gedeeld door Samuel Walheer

 

LEES OOK: 

Chemicaliën en niet-overdraagbare ziekten gaan niet samen, waarschuwt een Engelstalige studie

“Inaction is no longer an option!” Met deze sterke woorden sluiten de onderzoekers hun Manufactured Chemicals and Children’s Health – The Need for New Law af. Het rapport, dat onlangs werd gedeeld op de website van Docteur Coquelicot, brengt een aantal zorgen naar voren: het bewezen verband tussen niet-overdraagbare ziekten bij kinderen en hun blootstelling aan chemicaliën, het falen van de wetgeving inzake synthetische chemicaliën en hun massale wereldwijde productie, die naar verwachting verdrievoudigd zal zijn tegen 2050.

Volgens de studie worden er wereldwijd bijna 350.000 chemicaliën verspreid die afkomstig zijn uit chemische mengsels, plastic of fossiele brandstoffen (gas, olie en kolen). De productie ervan blijft elk jaar stijgen en zou een directe, schadelijke invloed hebben op de milieugezondheid van kinderen. Veel niet-overdraagbare ziekten – de belangrijkste oorzaak van ziekte en sterfte bij kinderen – worden vermoedelijk veroorzaakt door de productie van synthetische stoffen. De studie werd gevoerd door Philip Landrigan, directeur van het Global Observatory on Planetary Health van Boston College, en werd op 16 januari 2025 via een consortium gepubliceerd in het New England Journal of Medicine. Hier volgt een samenvatting van de belangrijkste punten.

De gezondheid van de kinderen als prioriteit

In vergelijking met farmaceutische producten zijn synthetische chemicaliën en plastic uiteindelijk onderworpen aan weinig wettelijke of politieke beperkingen. In feite wordt er weinig onderzoek gedaan naar de gevaren ervan en wordt er weinig toezicht gehouden nadat ze op de markt zijn gebracht. De schadelijke effecten op lange termijn op de gezondheid van de bevolking, vooral van kinderen, zijn echter zeer reëel. Volgens de studie wordt minder dan 20% van de synthetische chemicaliën getest op mogelijke toxiciteit. Ook de effecten op kinderen en zuigelingen worden niet onderzocht, hoewel er een verband bestaat tussen deze chemicaliën en bepaalde kinderziekten. Een herziening van de wetgeving om kinderen te beschermen tegen deze bewezen gevaren moet een prioriteit voor de bevolkingsgezondheid zijn!

Enkele belangrijke cijfers

Als we een blik werpen op de afgelopen vijftig jaar tot vandaag, toont de studie ons enkele belangrijke (en zeer verontrustende!) cijfers :

  • Het aantal niet-overdraagbare ziekten onder kinderen is sterk gestegen.
  • De incidentie van kinderkanker is met 35% gestegen.
  • Aangeboren afwijkingen die verband houden met de mannelijke voortplanting komen dubbel zo vaak voor.
  • Een op de zes kinderen heeft nu te maken met neurologische ontwikkelingsstoornissen.
  • Bij een op de zesendertig kinderen wordt een autismespectrumstoornis vastgesteld.
  • De prevalentie van astma bij kinderen is verdrievoudigd.
  • De prevalentie van kinderobesitas is bijna verviervoudigd.
  • Er is een sterke toename van diabetes type 2 bij kinderen en adolescenten.
  • Onder volwassenen zijn ziekte, beperkingen en sterfte door hart- en vaatziekten, beroertes en veel vormen van kanker gedaald.

Onderzoek naar milieugezondheid in de kindergeneeskunde

Als we het hebben over de ontwikkelingen van de milieugezondheid in de kindergeneeskunde, moeten we 25 jaar terug in de tijd. Zo waren er twee belangrijke gebeurtenissen: de publicatie van het rapport Pesticides in the Diets of Infants and Children van de National Research Council in 1993, waarin werd aangetoond dat er biologische factoren waren die kinderen gevoelig maakten voor toxische chemicaliën. De tweede was de goedkeuring van de Food Quality Protection Act (FQPA) in 1996. De van oorsprong Amerikaanse pesticidenwet heeft van de milieugezondheid van kinderen een nationale prioriteit gemaakt en daarmee het onderzoek naar milieugezondheid in de kindergeneeskunde gestimuleerd. Een blootstelling, zelfs kortstondig, aan toxische chemicaliën bij kinderen, die kwetsbaar zijn, verhoogt het risico om ziekten of beperkingen te ontwikkelen, die hun hele leven lang kunnen blijven.

“De situatie verslechtert snel. De voortdurende en ongecontroleerde toename van chemische synthese brengt niet alleen kinderen over de hele wereld in gevaar, maar ook ons voortplantingsvermogen” , vertelt Philip Landrigan, directeur van het Global Observatory on Planetary Health van Boston College.

Een voorbeeld

In de Verenigde Staten werd tussen de jaren 50 en 70 jaarlijks bijna 100.000 ton lood, bekend als tetra-ethyl, aan benzine toegevoegd. De bedoeling daarvan was om de prestaties van de auto’s te verbeteren. Dit leidde tot massale vervuiling van het milieu; het gemiddelde loodgehalte in het bloed van de bevolking bedroeg 16 tot 17 g per deciliter. Er waren ook nog de volgende gevolgen: het gemiddelde IQ van Amerikaanse kinderen – het criterium dat gebruikt wordt in de internationale classificatie van ziekten om verstandelijke beperkingen te definiëren – daalde met 2 tot 5 punten; het aantal kinderen met een IQ hoger dan 130 daalde met meer dan 50% en het aantal kinderen met een IQ lager dan 70 steeg met meer dan 50%.

De mislukking van de chemicaliënwetgeving

Vandaag de dag draait de chemische industrie op volle toeren en is ze de op een na grootste verwerkende industrie ter wereld. Deze sector alleen is goed voor bijna 25% van het bruto binnenlands product (BBP) van de Verenigde Staten. Dit is met name te wijten aan het feit dat sinds de TSCA (Toxic Substances Control Act) in 1976 werd aangenomen, er maar heel weinig chemicaliën verboden of beperkt zijn op de Amerikaanse markt. De wetgeving inzake chemicaliën in de Europese Unie – bekend als Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals (REACH) – werkt als volgt: “geen gegevens, geen markt”. In de praktijk is de chemische productie echter niet echt aan banden gelegd.

Een wetgevende wake-upcall

De studie pleit daarom voor een wijziging van de wetgeving voor chemicaliën om de gezondheid van kinderen te beschermen. In de werkelijkheid lijkt dat niet zo eenvoudig. Volgens Philip Landrigan moeten er strenge tests worden uitgevoerd om te bewijzen dat de chemicaliën niet toxisch zijn bij blootstelling. Dit zou de onbeperkte productie voorkomen en een voorzichtiger aanpak voor de gezondheid van kinderen aanmoedigen. Bovendien moeten er controles worden uitgevoerd op chemicaliën nadat ze op de markt zijn gebracht om eventuele ongewenste gevolgen op lange termijn op te sporen. Bijvoorbeeld door rekening te houden met de resultaten van toxicologische onderzoeken op dieren. Die kunnen worden gebruikt om de risico’s voor de menselijke gezondheid te voorspellen, en in het bijzonder voor kinderen. De laattijdige gevolgen van vroege blootstelling kunnen worden waargenomen bij dieren die in utero zijn blootgesteld.

Internationale inspanningen aanmoedigen

Het is dus duidelijk dat de blootstelling van kinderen aan een toxische chemicaliën de gezondheid, economische levensvatbaarheid en veiligheid van een hele samenleving kan schaden en zelfs schadelijke gevolgen kan hebben voor het voortplantingsvermogen van de mensheid. De wereldwijde milieucrisis blijft groeien en chemische vervuiling vormt daarbij een echte uitdaging! Om onze planeet te proberen te redden, of beter gezegd de toekomst van alle kinderen ter wereld, zou een wereldwijd verdrag een sleutelrol kunnen spelen: de Verenigde Naties zouden een wettelijk bindende wet moeten invoeren om de productie en commercialisering van chemicaliën in te perken. Er bestaat al een wereldwijd verdrag over plastic dat hiervoor als basis zou kunnen dienen.

Wijzigingen en opmaak: Samuel Walheer

 

LEES OOK :

Veelbelovende ontwikkelingen om cognitieve stoornissen te verlichten die samenhangen met het syndroom van Down

Goed nieuws voor mensen met het syndroom van Down: een nieuwe behandeling zou hun levenskwaliteit aanzienlijk kunnen verbeteren. Het kandidaat-geneesmiddel AEF0217 (van het biofarmaceutische bedrijf Aelis Farma) bevindt zich momenteel in de testfase en de eerste klinische resultaten zijn zeer bemoedigend.

De behandeling in ontwikkeling is getest op 29 jongvolwassenen met het syndroom van Down. Na slechts vier weken waren er significante verbeteringen op het gebied van verbale expressie, sociale interactie en het uitvoeren van routinetaken. Die vooruitgang biedt uitzicht op meer autonomie voor die patiënten.

Gerichte aanpak om de levenskwaliteit te verbeteren

Het mogelijke geneesmiddel AEF0217 richt zich specifiek op cognitieve stoornissen zoals geheugen- en spraakproblemen, die vaak voorkomen bij mensen met het syndroom van Down. De proefpersonen in het onderzoek zagen hun levenskwaliteit toenemen. Voor de wetenschap zijn die vorderingen hoopgevend in de zoektocht naar langetermijnoplossingen. Er moeten evenwel nog een aantal stappen worden genomen voordat het geneesmiddel op de markt kan worden gebracht.

Gebaseerd op een natuurlijk molecuul

Nog een voordeel van AEF0217 is dat het gebaseerd is op een natuurlijk molecuul dat focust op het endocannabinoïdesysteem, dat een rol speelt bij cognitieve functies. In tegenstelling tot conventionele benaderingen verbetert dit medicijn de hersencapaciteit dus op natuurlijke wijze, zonder dat er tot nu toe belangrijke bijwerkingen zijn waargenomen. Die unieke eigenschappen sterken onderzoekers in hun geloof in het therapeutische potentieel van het geneesmiddel.

→ Lees het (Franstalige) bronartikel voor meer technische details 

Andere ontwikkelingen

Al in 2022 was er een andere belangrijke doorbraak, dankzij een samenwerking tussen het Inserm (de Franse instelling voor gezondheid en medisch onderzoek) en het CHUV (een universitair ziekenhuis in Lausanne, Zwisterland). Ze ontwikkelden een vernieuwende therapie waarbij het hormoon GnRH pulserend werd geïnjecteerd, waardoor de cognitieve functie bij zeven patiënten met trisomie 21 verbeterde. Na zes maanden was er een significante vooruitgang op het gebied van redeneren, geheugen en het begrijpen van instructies. Die resultaten bevestigen dat ook hormonale benaderingen een belangrijke rol kunnen spelen.

Een hoopvolle toekomst voor gezinnen

Die ontwikkelingen zijn het resultaat van de voortdurende inspanningen van medische onderzoekers om de behandeling te verbeteren van cognitieve stoornissen die samengaan met het syndroom van Down. Hoewel die behandelingen zich nog in de evaluatiefase bevinden, biedt de wetenschappelijke vooruitgang hoop op meer autonomie en levenskwaliteit. Dat is bemoedigend nieuws voor de betrokkenen en hun familieleden.

 

Sofia Douieb

 

LEES OOK: